marian boyer

                                   

                                                   I.

 

 

Toen ik net veertien was, werd ik een moordenaar. Dat was wat mij betreft precies op tijd. Was ik jonger geweest, dan had ik er de kracht niet voor gehad. Ben je ouder, dan gelden er wetten. Wij zaten precies overal tussenin. Ik hoopte wel dat iemand ons zou stoppen, een vader of moeder of iets. Maar hoop is neutraal, en niet in staat te sturen. Daarvoor zijn anderen nodig.

        Tot op de dag van vandaag is onduidelijk gebleven waarom we doorgingen. Maar de twee druppels bloed die stil uit het lichaam van De Paal in de droge bodem sijpelden, zeiden me dat er voor het eerst iets in mijn leven klopte. Het moment was even wanhopig als volmaakt. 

        We waren die dag weer langs het sissen gegaan. Het kwam uit monden van jongens, die we ‘de giftige jongens’, ‘de goorbekken’ of simpelweg ‘klootzakken’ noemden. We kenden hun monden, hun tongen en alles wat daarbij kwam al langer. Hun haren roken naar moeras, hun oksels naar iets doods. Ze droegen stinkbroeken. Ze woonden in de huizen aan de andere kant van het spoor, die moe tegen elkaar aan hingen en vaag naar oude vuren roken. Wij hadden rechte huizen, gebouwd uit nieuwe rode stenen. Uit onze muren ketsten we verse vonken goud.

        Een mengeling van pis en benzine sloot als een koker om ons. We werden door drie gore tongbekken omsingeld: De Paal, van Laarhoven en Voermans. We, dat is Bertie en ik. Over haar vertel ik later. We doken weg vanonder hun armen, roken even iets dat angstig maakte. Maar meteen zetten we het op een lopen, en dachten aan de paarden die ergens op ons wachtten. We keken snel om, zorgden ervoor dat de goorbekken goed achter ons aan bleven lopen. Zo liepen we, voor een minuut of tien. Graspollen schoten onder ons weg. We hielden van de snelheid. We merkten dat die goorbekken helemaal niet op snelheid, richting, pollen of wat ook letten. Ze renden maar, de sukkels. En híjgen. We kregen ze dus gemakkelijk mee. Richting kuil ging het.

 

De kuil bevond zich onderaan het landje, achter een terrein waar ze oude auto’s dumpten, en daarachter had je weer de begraafplaats. Daar waren we wel eens op de langwerpige stenen gaan liggen, maar behalve dat het er nogal stil was en je de bladeren zo lekker kon horen ritselen was er niet veel aan, niet iets engs ofzo, al bleef je nooit lang. Vanuit de huizen hogerop kon je er niks van zien.

        De autoplaats was een soort centraal terrein, waarnaar alle kinderen vanzelf terugkeerden. Een geheim, een echt goed spel waarbij bloed mocht vloeien, dat soort dingen kon allemaal pas ontstaan zonder de ogen van volwassenen in je rug.

        In de auto’s kon je zitten roken of kijken, maar niets verbergen. Belangrijke spullen nam je dus mee naar de kuil. In de kuil was het op een lekkere manier vuil, met vuile dingen om je heen. Je vergat er de kleren waar onze moeders met hoge stemmetjes omheen dartelden. Je at er broden met zand, tussen de schedels van kleine dieren. Je bladerde in tijdschriften met afbeeldingen waarnaar je ogen telkens toegezogen werden. Ik bewaarde er een stuk stof, ik hield erg van de B met krullen die er in kleine rode kruisen op was geborduurd. Je zat tussen puntige messen, naast blikken busjes met doodshoofden erop. Je begroef er de tand van een varken – ‘oeros’, zei Bertie –, en zat spullen had je om vuur mee te maken. Dingen van troost. Dat was zo, dat is zo.

        De toegang tot de kuil camoufleerden we met bladeren en stro. Niemand behalve ons groepje wist van onze plek. Dat wilden we zo houden. Even voor we er aankwamen, keek Bertie om zich heen. Toen schreeuwden we tegelijk een geluid – een soort woord, maar niet echt een woord. Maar daardoor wisten we dat het tijd was.

     

      > fragment Het engelentransport

 

 

                             romans