marian boyer

      Ja, nee, misschien

      of toch niet 

           

Het jongetje verstopte zich op de wc. Daar deed hij of de vloer bestond uit kleine rivieren, en uit het graniet van de vloer hakte hij stenen en hij legde ze zo dat er poelen ontstonden waar hij doorheen waadde en hij de kikkers kon horen.  De rekensommen van die ochtend verdwenen, een rekensom was droger dan de stem van zijn vader en hij vergat het, de poelen waren kalm en hij keek in de kolkjes waar takjes en bladeren in rondtolden. Die ochtend had hij een foto gezien van de handafdruk van een misdadiger, alle lijnen van de misdadigershand stonden erop, als stukgeslagen houtskool. Het zag er rustig en onheilspellend uit, en hij had zijn hand naast de foto gelegd en nu dacht hij dat hij zelf een misdadiger was, een kleine echte misdadiger. Hij keek naar de takken en de bladeren en hij dacht dat als hij hier bleef hij nooit een misdadiger zou worden, maar toen moest hij terug naar zijn klas, met zijn klasgenoten erin, en hij dacht aan hun geur als ze in de sloot hadden gezwommen en aan de pezen van hun voeten. Hij perste een drol uit zijn darmen en hees zijn broek op, het waren de broek en de drol van een misdadiger en hij was tot alles in staat.

 

 

> reageer

< vorige > volgende

> inschrijven mailinglist

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

© marian boyer

de teksten op deze site mogen niet zonder toestemming worden gekopieerd

                                                   

                                               

Share |